zonderkunstenaarsgeenkunst

Just another WordPress.com weblog

Let op! – Vervolg zonder kunstenaars geen kunst op nieuwe site!

with one comment

Januari 2010 Zonder kunstenaars geen kunst is nog steeds actueel – Inmiddels is de rust weergekeerd maar is er iets veranderd?

Deze wordpress site krijgt daarom een vervolg op het volgende adres:

www.zonderkunstenaarsgeenkunst.ning.com

of voor een algemeen overzicht van het [politieke] kunstklimaat zie KunstKlimaat

Advertenties

Written by Art

december 31, 2009 at 3:54 pm

Geplaatst in Uncategorized

Uitnodiging commissievergadering 15 oktober Amsterdam

with one comment

Uitnodiging commissievergadering 15 oktober Amsterdam,

waar kunstenaars pleiten voor productiebudgetten voor hun vrije werk

12 oktober 2009

Beste kunstenaar, collega:

Kom je aanstaande donderdag 15 oktober van half 2 tot 2 uur naar de Stopera in Amsterdam?

Daar gaan wij als kunstenaars ‘inspreken’ in de commissievergadering die o.a. beslist over de verdeling van het kunstbudget.

Op 26 november beslist Amsterdam over de Hoofdlijnennota van cultuurwethouder Gehrels.

Daar komen de belangen van kunstenaars niet in voor. Van de 90 miljoen in het Amsterdamse kunstbudget gaat er slechts 1,2 miljoen naar kunstenaars via het opdrachtenbeleid van het AFK.

Daarom willen we de Commissie Kunst aanstaande donderdag vragen om (weer) productiebudgetten voor kunstenaars in te voeren in Amsterdam.

Want er is geld nodig om je vrije werk te kunnen maken.

We kregen net het goede nieuws dat het Rotterdamse kunstenaars is gelukt om de wethouder te overtuigen dat er weer geld naar individuele kunstenaars moet.

Wie een overzicht wil van de stand van zaken vind meer informatie in de bijlage.

Willen jullie ons pleidooi steunen met jullie aanwezigheid, zo mogelijk met spandoeken?

Want daarmee geven jullie de Amsterdamse kunstenaars een gezicht….

Graag tot donderdag

En hoort zegt het voort!

15 oktober 13.30-14 uur

Stopera, Amsterdam

Rooszaal 0239

Commissievergadering Kunst, Sport en Bedrijven

Met hartelijke groet,

Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst

o.a De Servicegarage (Frank Ammerlaan enThijs Rijnsburger),

Maria Verstappen, Caren van Herwaarden en Anne Berk

Written by zonderkunstenaarsgeenkunst

oktober 13, 2009 at 2:36 am

Geplaatst in Uncategorized

stellingen voor het symposium 6 juni

leave a comment »

STELLINGEN Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst symposium 6 juni

In het huidige kunstbeleid verkeert de kunstenaar in een spagaat. Hij moet zowel een succesvol ondernemer zijn, als tijdrovende, vernieuwende kunst maken en dat kan niet in onze markteconomie.

Het beleid zou rekening moeten houden met de specifieke arbeidsomstandigheden van de kunstenaar, die voortvloeien uit de bijzondere opdracht die hij heeft:

het scheppen van unieke kunstwerken die ons een nieuw perspectief bieden op de wereld om ons heen.

1. De financiële positie van kunstenaars is uitgehold

De drie geldstromen voor kunstenaars, die voortvloeiden uit de BKR, drogen op of verdwijnen.

1. Fonds BKVB (22 miljoen waarvan 12 miljoen voor beeldend kunstenaars). Het budget blijft gelijk,

maar het aantal beurzen is gedecimeerd. In 1988 waren er nog 1654 beurzen via het Fonds BKVB,

en anno 2009 zijn dat er nog maar 271, de flexibele werkbudgetten niet meegerekend (zie bijlage).

2. De voormalige Geldstroom BKV (18 miljoen) is per 1 januari 2009 gedecentraliseerd en schuift van

het rijk naar de gemeenten. Dit geld was van kunstenaars, maar het is nu geoormerkt voor kunst

en gaat voornamelijk naar de kunstinstellingen.

3. Het budget van de WWIK, een open regeling, is sterk gedaald.

In 2003 was het budget 40 miljoen voor 3000 kunstenaars in uit verschillende disciplines.

In 2007 was het budget nog 25 miljoen voor 2500 kunstenaars (cijfers afkomstig van FNV).

Er vindt een sanering plaats.

In 1983 bedroeg de BKR nog 130 miljoen gulden, nu is er nog maar 37 miljoen voor rond de 12.000 kunstenaars, waarvan 12 miljoen voor beeldend kunstenaars in het Fonds BKVB en 25 miljoen in de WWIK.

Dit geld is essentieel om de kunstproductie op peil te houden. Het budget van de WWIK mag niet verdwijnen!

De Raad voor Cultuur spreekt over ‘de marginalisering van de kunstenaar, die door zijn ‘standalone’ positie buiten spel wordt gezet: ‘Zowel het rijk als andere overheden neigen ertoe om de directe investeringen in de praktijk van kunstenaars in te ruilen voor een beleid waarbij presenterende, producerende en faciliterende instellingen een grotere rol gaan spelen. Kunst en cultuur zijn verregaand geïnstitutionaliseerd, maar de overheid meet hun belang te eenzijdig af aan economisch en sociaal rendement,’ (‘Participeren en Innoveren’, 2007, p.79).

2. Financiële ondersteuning in historisch perspectief

In Nederland wordt de kunst overgeleverd aan de tucht van de markt, maar dat gaat voorbij aan de historische ontwikkelingen.

Kunst loopt vaak op zijn tijd vooruit. Veel kunst is daarom moeilijk verkoopbaar, en

er zijn altijd vooruitstrevende vorsten, kerkvaders en burgers geweest die kunstenaars

hebben ondersteund.

Maecenas was de naam van een gulle cultuurminnende romein.

Rembrandt vond een beschermheer in Jan Six. Vermeer had één verzamelaar, Pieter van

Ruijven en werd pas in de 19de eeuw beroemd. Bart van der Leck werd gesteund door Hélène

Kröller-Müller. Vincent van Gogh door zijn broer Theo. Gelukkig maar, anders

had Vincent zich niet kunnen ontwikkelen en dan hadden we nu geen Van Goghmuseum.

Picasso kreeg een maandgeld voor productie van galeriehouder Kahnweiler. René Magritte en

Salvador Dalí konden schilderen dankzij de Engelse mecenas Edward James, en Duchamp werd

gesteund door Walter en Louise Arensberg.

3. Markt te klein

Na de Tweede Wereldoorlog waren er in Nederland door de nivellering nauwelijks

kapitaalkrachtige burgers. De staat nam de rol van mecenas op zich. In 1987 werd de BKR afgeschaft, maar de behoefte aan overheidsteun blijft echter onverminderd bestaan.

Anders dan in Groot-Brittanië en de VS zijn er in Nederland geen particuliere fondsen voor kunstenaars. De fondsen die er zijn bedienen alleen rechtspersonen.

Bovendien hebben wij te weinig verzamelaars. Met een totale omzet van 130 miljoen euro is de markt te klein om kunstenaars een inkomen te bieden.

4. Kunstenaar kan niet overleven in de markteconomie

Terwijl de arbeidsproductiviteit per uur sinds de 19de eeuw enorm is gestegen, maken kunstenaars  unieke, vernieuwende kunst en dat is tijdrovend en volstrekt oneconomisch. Als zelfs arbeidsintensieve industrieën er niet in slagen om concurrerend te zijn, hoe moeten kunstenaars dat dan doen?

Sommige kunstenaars kwamen op eigen benen te staan dankzij de investering van de overheid. Bijvoorbeeld Corneille en Constant. Maar ook Lily van den Stokker, die dankzij een beurs naar New York kon gaan. Inmiddels kan ze leven van haar werk en heeft ze de subsidie via de belasting dubbel en dwars terugbetaald aan het Rijk! (zie haar artikel op http://www.kunstsubsidiedebat.nl).

Maar de meeste kunstenaars kunnen niet van hun werk leven.

‘Slechts 14% van de kunstenaars heeft na aftrek een inkomen van meer dan € 10.000 per jaar.

40% van de kunstenaars heeft een negatief inkomen. 62% heeft neveninkomsten uit andere werkzaamheden, 8% verdient helemaal niets met zijn werk. 18% van de beeldend kunstenaars heeft een bijstandsuitkering. In 2003 maakten 3000 kunstenaars gebruik van de WWIK.

Van de inkomsten van beeldend kunstenaars is 60% afkomstig van de particuliere markt en

40% van overheidsgelden’ (uit ‘Kunst in getal’, Lien Heyting, NRC 11-7-2003).

5. Kunst is een fundamentele waarde.

Kunstenaars hebben een bijzondere positie.

Kunst vormt het hart van onze cultuur en de kunstenaar zorgt dat het blijft kloppen.

Dat hebben ze in Denemarken goed begrepen:

‘De kunsten kunnen en mogen niet gelegitimeerd worden aan de hand van vooraf vastgestelde

maatschappelijke doelen. Kunstenaars moeten geen ondersteuning krijgen omdat ze arm zijn

maar omdat de samenleving hun werk nodig heeft. De Denen moeten een alternatief hebben voor

Disney en Amerikaanse soaps, aldus het rapport Betaenkning om Billedkunst (1998) van de

Commissie Beeldende Kunsten in Denemarken ( uit ‘Cultuurbeleid in belendende landen’:

rapportage 22 februari 2007).

De kunstenaar is de verpersoonlijking van onze vrije, individualistische cultuur.

Hij is een antenne op de wereld en houdt ons een spiegel voor.

De kunst is er om de mens aan zichzelf te openbaren’, zegt kunstenaar Henk Visch.

Dat mag ook wat kosten. Anders hebben alleen reclameontwerpers een toekomst. En dat is geestelijke zelfmoord.

Om vervlakking te voorkomen is het belangrijk dat er naast volkscultuur en amateurkunst

ook ruimte is voor wat men in Duitsland Leitkultur noemt.

Investeer in het culturele erfgoed van morgen.

6. Investering in kunst geeft economische spin-off

Naast de intrinsieke waarde genereert kunst ook een economische spin-off.

Het is dan ook gerechtvaardigd om te spreken van een investering in kunst,

In plaats van een subsidie.

De export van Nederlandse kunst naar het buitenland is de afgelopen 10 jaar sterk gegroeid.

De SICA (Stichting Internationale Culturele Activiteiten) telde 10 jaar geleden honderd Nederlandse culturele activiteiten in Duitsland, vorig jaar waren er dat er meer dan duizend (Volkskrant, 6 – 5 – 09).

Dankzij de overheidsbijdragen kon veel talent tot bloei komen, dat schittert in het buitenland, van Marléne Dumas, Mark Manders, Erwin Olaf of Folkert de Jong tot Joep van Lieshout, Juul Kraijer en Desirée Dolron, enz.

De creatieve sector groeit sneller dan alle andere economische sectoren en is daarom speerpunt in het Europese culturele beleid. Zoals Richard Florida stelde in The Rise of the creative class (2002)

creëren culturele broedplaatsen een interessant vestigingsklimaat en dat trekt bedrijven aan.

De beeldende kunst is de voedingsbodem van de creatieve industrie en een prikkel voor innovatie. Daar halen trendwatchers als Li Edelkoort hun ideeën vandaan. En Bill Gates koopt de rechten van unieke beelden op, want die zijn goud waard in onze gemedialiseerde wereld.

De kunst heeft een laboratoriumfunctie voor de creatieve industrie, maar onderzoek vraagt tijd.

En dat kost geld.

Musea vormen een toeristische trekpleister. Zo is de Tate Modern met 5,5 miljoen bezoekers de grootste attractie van Groot-Britannië. Amsterdam wordt bezocht door 8 miljoen toeristen die 5 miljard! euro spenderen. En hoeveel verdient Amsterdam aan het Van Gogh Museum? Investeren in kunst is op termijn een investering in het toerisme.

Written by zonderkunstenaarsgeenkunst

juni 5, 2009 at 4:47 pm

Geplaatst in Uncategorized

Symposium: zaterdag 6 juni, Amsterdam

leave a comment »

Symposium

‘Hoe overleven kunst en kunstenaars in het neoliberale tijdperk?’

In dit belangrijke debat wordt het marktdenken in de kunst ter discussie gesteld.

zaterdag 6 juni  14 uur – 19 uur Amsterdam

Om 14 uur ! gaan de topeconomen Arnold Heertje(tegenstander neoliberalisme) en Pim van Klink(neoliberaal) met elkaar in discussie,

gevolgd door de politici Han ten Broeke (VVD) en Hans van Leeuwen (SP).

Anne Berk van Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst

geeft een overzicht van de financiele situatie van kunstenaars.

De activistische kunstenaarsgroep a-n:The Artists Information Company

vertelt hoe kunstenaars voor zichzelf opkomen in Groot-Britannië. Ter inspiratie!!!

Organisatie: Parachute Artists,

Locatie: De Service Garage, Stephensonstraat 16, Amsterdam

(vlak bij de Wibautstraat/Ringdijk).

Voor het totale programma zie www.deservicegarage.nl

ofwww.parachutartists.com

Hoort zegt het voort…

vergadering ZonderKunstenaarsGeenKunst over de WWIK

maandag 8 juni  19.30 uur, Amsterdam

Punt WG (Wilhelminagasthuistterein M. v. B. Bastiaansestraat 15   075-6846840

www.anneberk.nl

https://zonderkunstenaarsgeenkunst.wordpress.com/

Written by zonderkunstenaarsgeenkunst

juni 3, 2009 at 9:42 pm

Geplaatst in Uncategorized

Investeer in het cultureel erfgoed van morgen!

leave a comment »

Investeer in het cultureel erfgoed van morgen!

Anne Berk Verschenen in K.I.P magazine jaargang 5, nr. 1, februari 2009, Als reactie op het artikel van Hans Abbing, die pleit voor de afschaffing van kunstenaarssubsidies. 80 % van de kunstenaars kan niet leven van zijn kunst en het gemiddeld maandloon schommelt rond de 300 euro! De cijfers van Hans Abbing bevestigen onze somberste vermoedens. Verder signaleert Abbing net als het Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst het contrast tussen de arme kunstenaars en het ‘volstrekt buiten proportie groeiende leger’ van gesubsidieerde kunstbemiddelaars. ‘Kijk daar kritisch naar, dan kan er geld vrij worden gemaakt voor kunstenaars,’ stelt Abbing. Maar de echte oplossing van het probleem ligt volgens hem in het decimeren van aantal kunstenaars. Vele monden maken de spoeling dun. Dus versterk de kunstmarkt. Beperk het aantal studenten op kunstacademies en draai de subsidiekraan verder dicht, dan komen er vanzelf minder kunstenaars, meent Abbing. Maar hier maakt hij een aantal cruciale denkfouten. En gaat hij voorbij aan de onbedwingbare creatieve impuls die de mensheid eigen is. Vanaf het eerste begin hebben mensen geprobeerd de werkelijkheid te vatten, haar te vangen in een tastbaar beeld, om haar te kunnen be-vatten. ‘Kunst is er om de mens aan zichzelf te openbaren,’ zegt Henk Visch. Kunst is een fundamentele waarde die niet gemist kan worden. En dat mag best wat kosten. Institutionalisering en marginalisering In de afgelopen 25 jaar zijn de overheidsuitgaven voor kunst gestegen, maar het aandeel van kunstenaars is sterk gedaald. Kregen beeldend kunstenaars in 1983 nog 130 miljoen gulden via de BKR, nu is er nog 12 miljoen via het Fonds BKVB en 25 miljoen via de WWIK. De verhoudingen zijn scheef gegroeid. Het geld vloeit vooral naar de instellingen, die goed zijn georganiseerd en in beter in staat zijn te lobbyen dan de individuele kunstenaars. Zowel de overheid als de private fondsen geven hun geld liever aan organisaties, ook al zijn de jaarverslagen minder doortimmerd dan vaak wordt gedacht. ‘Ondertussen dreigt ook de positie van individuele makers, in eerste instantie actief vanuit de standalone-positie die nu eenmaal inherent is aan hun vak, te marginaliseren. Zowel het rijk als andere overheden neigen ertoe om de directe investeringen in de praktijk van kunstenaars en ontwerpers in te ruilen voor een beleid waarbij presenterende, producerende en faciliterende instellingen een grotere rol gaan spelen’, schrijft de Raad van Cultuur op 3 juni 2008 aan minister Plasterk. De Raad heeft het goed gezien. Kunstenaars worden gemarginaliseerd. In plaats van dienstbaar te zijn aan kunst en kunstenaar, hebben de instellingen de kunstenaar ondergeschikt gemaakt aan hun beleid. Maar zonder kunstenaars zijn de musea leeg. En zonder kunstenaars valt er geen subsidie te verdelen. Het is omgekeerde wereld. De prioriteiten moeten opnieuw worden gesteld. Minder kunstenaars? Abbing hoopt het aantal kunstenaars te verminderen door minder studenten aannemen op de kunstacademie. Maar dat is niet zo eenvoudig als het lijkt. Een deel van het probleem schuilt in de financiering van academies, die geld krijgen op grond van het aantal afgestudeerden. Daardoor worden studenten met hangen en wurgen over de streep getrokken, terwijl al na een jaar duidelijk is dat ze niet geschikt zijn voor het kunstenaarschap. Het zou beter zijn de financiering los te koppelen van het aantal diploma’s, waardoor de groepen kleiner kunnen worden en de kwaliteit van het onderwijs stijgt. Verder is de ongebreidelde aanwas van kunstenaars een fabeltje. Er komen voortdurend kunstenaars bij, maar er verdwijnen er minstens zoveel. Vooral rond hun 45ste houden veel kunstenaars het voor gezien. Gemiddeld zijn mensen 17 jaar kunstenaar. Het aantal kunstenaars schommelt al 25 jaar lang rond de 12.000, met als saillant detail dat bijna de helft van het aantal professionele kunstenaars autodidact is, aldus Inger Minnesma van de FNV-Kiem. Dus het beperken van het aantal kunststudenten heeft weinig effect op het aantal kunstenaars. Bovendien is het volgen van een kunstopleiding ook algemeen vormend, net als een studie filosofie of kunstgeschiedenis. Ik ben het met minister Plasterk eens dat dit mogelijk moet zijn. Maar er moeten wel strengere eisen aan het propedeuse jaar worden gesteld. Investeren in kunst leidt tot kwaliteit Kunstenaars genieten een hoge status in onze cultuur. Sinds de romantiek reflecteert de kunstenaar in vrijheid over de wereld en houdt ons een spiegel voor. Hij is de personificatie van ons liberalistische geloof in het unieke individu. En dit aura verklaart de offerbereidheid van de kunstenaar. Zelfs al is er nauwelijks perspectief op een broodwinning, mensen laten zich niet weerhouden om kunstenaar te worden, zoals Abbing ook constateert. Maar de kwaliteit van de kunst die ze maken hangt wel samen met de beschikbare financiële middelen. Zo betoogde Aaron Betsky in ‘False Flat. Why Dutch Design Is So Good’, (Phaidon, 2008) dat het vernieuwende karakter van het Nederlandse design voortvloeit uit de overheidssubsidies voor designers. Omdat ze zich niet direct hoeven te richten op de markt hebben ze ruimte om te experimenteren en hetzelfde geldt voor de Nederlandse beeldende kunst. Kunstenaars als Saskia Olde Wolbers, Aaron van Erp, Juul Kraijer, Rineke Dijkstra, Folkert de Jong, Michael Raedecker, Mark Manders, Fiona Tan enz. gooien hoge ogen in het buitenland dankzij de beurzen van het Fonds BKVB. ‘Maak van subsidie je exportartikel’, stelde Lily van den Stokker, die zich dankzij de financiële bijdrage van de overheid in New York kon vestigen en daar is doorgebroken. Het aantal beurzen wordt teruggesnoeid van 1643 in 1988 (zie ‘Het landelijke subsidiestelstel voor beeldende kunst 1984-2005: bereik, structuur en doorstroming,’ p. 62) tot ongeveer 370 nu. Deze sanering is een verspilling van talent. Waar is de Aaron Betsky van de beeldende kunst? Investeren in het cultureel erfgoed van morgen Maar waarom houden kunstenaars hun eigen broek niet op? Waarom moeten ze worden gesteund? Ten eerste hebben we in Nederland te weinig verzamelaars. De totale omzet van alle galeries en kunstuitlenen bedraagt 130 miljoen euro per jaar (zie rapport Artes). De markt is te klein. Verder is de kunst altijd gesteund, door koningen, kerkvaders en rijke burgers met een vooruitziende blik. En aan hen hebben wij de schatten in de musea te danken. Zo had Vermeer bij leven slechts een verzamelaar en werd pas in de 19de eeuw beroemd. Rembrandt vond een weldoener in Jan Six. Bart van der Leck werd gesteund door Hélène Kröller- Müller. Van Gogh door zijn broer en Karel Appel en Constant konden zich ontwikkelen dankzij overheidssubsidie. Want met het ontstaan van de verzorgingsstaat nam de overheid de rol van mecenas over. En dat was hard nodig. Door de Industriële Revolutie waren de productiviteit en de salarissen van alle beroepsgroepen gestegen, behalve van kunstenaars. Die worden nog steeds geacht unieke dingen te maken, die niemand ooit heeft gezien. En dat kost tijd. Dat kan niet in onze markteconomie. Financiële steun is onmisbaar. Van de overheid. En zo mogelijk ook door kunstlievende burgers in het nieuw op te richten Fonds de Mecenas voor Beeldend Kunstenaars. Investeer in het cultureel erfgoed van de toekomst! Anne Berk kunstrecensent en oprichter van het Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst en Fonds de Mecenas voor Beeldend Kunstenaars aberk@xs4all.nl

Written by zonderkunstenaarsgeenkunst

april 7, 2009 at 1:05 am

Geplaatst in Uncategorized

Gezocht: mecenassen artikel Kunstbeeld april door Anne Berk

with 3 comments

Gezocht: mecenassen artikel Kunstbeeld april door Anne Berk

Eeuwenlang werd kunst gefinancierd door vorsten, kerkvaders en rijke burgers, maar met de komst van de verzorgingsstaat nam de overheid deze taak grotendeels op zich. Inmiddels probeert men op alle fronten de verantwoording weer bij de burger terug te leggen. Wat zijn de voor- en de nadelen? En wat zijn de gevolgen van de financiële en economische crisis?

Hierbij een overzicht over de betrekkingen tussen mecenassen en musea enerzijds en mecenassen en kunstenaars anderzijds.

Of we het leuk vinden of niet, de verzorgingsstaat wordt uitgekleed. De overheid is al langere tijd bezig om taken terug te leggen bij de burger, ook op het gebied van kunst- en cultuur. Dat vermindert de kosten en ‘vergroot het maatschappelijk draagvlak’, zoals het in jargon heet, want als je ergens aan meebetaalt, dan voel je je er ook meer bij betrokken, zo is de gedachte. We betalen al mee via ons belastinggeld, maar daarbij hebben we niet direct invloed op de wijze waarop het geld wordt uitgegeven. We kunnen alleen richting geven via ons stemgedrag. Vadertje Staat zorgt voor alles en dat maakt passief. In de zogenaamde ‘civic society’ kiest de burger zelf waar hij zijn geld aan uitgeeft en draagt daarmee actief bij aan de cultuur. Daarom stuurt de overheid doelbewust aan op het vergroten van de private inkomsten door de kunstinstellingen, met als lokkertje de fiscale aftrekbaarheid van giften.

Renée Steenbergen, specialist op het gebied van het mecenaat, heeft hoge verwachtingen. In de ‘Tweede Gouden Eeuw’ financierden rijke kooplieden cultuurtempels als het Rijksmuseum, Stedelijk Museum en het Concertgebouw en legden daarmee het fundament onder ons culturele leven. Nu staan we met het groeiend aantal miljonairs (100.000) aan de vooravond van een ‘Derde Gouden Eeuw’, aldus Steenbergen in haar spraakmakende boek ‘De Nieuwe Mecenas, (2008)’. In het calvinistische Nederland gaat echter slechts 3-5 % van het goede doelen geld naar cultuur. Er is dus een wereld te winnen, maar dan moet de burger wel actief worden aangesproken met een campagne ‘Geef om Cultuur’ naar voorbeeld van ‘Get Britain Giving,’ vindt Steenbergen. Deze jarenlange campagne bracht een omslag in het denken teweeg en heeft de Britse fondsen gespekt. In Groot-Brittannië bestaat sinds 2001 ook PhilanthropyUK (zie http://www.philanthropyuk.org), een organisatie die als schakel dient tussen gevers en ontvangende cultuurproducenten. En dat is het voorbeeld voor Steenbergen’s onlangs opgerichte ‘Centrum Geef om Cultuur’ dat wil bemiddelen tussen particuliere gevers en kunstorganisaties, zie http://www.geefomcultuur.nl.

‘Door het teruglopen van subsidies en de problemen met bedrijfssponsoring door de kredietcrisis zijn individuele schenkers belangrijker dan ooit. Daarom is het urgent om bruggen te slaan tussen mecenassen en musea. Dat gebeurt nog veel te weinig,’ vindt Steenbergen, die wil beginnen met het opzetten van een beeldbank met

kunst die verzamelaars in bruikleen willen geven aan musea.

Mecenassen en musea

Wortel en stok

In fiscaal opzicht steekt Nederland gunstig af bij het buitenland, maar voor het overige lopen wij achter op het gebied van het mecenaat. Er gaat jaarlijks 50 miljoen euro om aan privédonaties, tegen 500 miljoen euro in Duitsland en 450 miljoen pond in Groot-Britannië (www.culturalpolicies.net). Na het uitbreken van de crisis vinden we dat plotseling minder erg, want als het culturele leven afhankelijk wordt van privékapitaal, is het ook uiterst conjunctuurgevoelig. Door de financiële crisis zien eerbiedwaardige musea in de Verenigde Staten zoals de Getty Trust, het Metropolitan Museum of Art of het New Museum in New York, hun budgetten verschrompelen. LA Moca is zelfs failliet en nieuwbouwplannen worden geschrapt. Opeens prijst men zich gelukkig met de financiële ondersteuning van de overheid en Gijs van Tuyl, directeur van het Stedelijk Museum, noemt de gemeente Amsterdam, hoofdfinancier van de nieuwbouw, ‘een rots in de branding.’

Toch is de crisis geen excuus om lui achterover te leunen. De prijzen op de kunstmarkt zijn torenhoog en de museale aankoopbudgetten blijven daarbij achter. Crisis of geen crisis, de overheid treedt terug en omdat de kunst zichzelf niet kan bedruipen zijn vrijgevige mecenassen onmisbaar. In het regeerakkoord zijn afspraken gemaakt over bezuinigingen op kunst- en cultuur van tussen de 15 – 50 miljoen euro per jaar. Een deel kan worden terugverdiend via de zogenaamde ‘matchingsregeling’. De instellingen moeten zelf een extra bedrag zelf binnenhalen om hun kosten te dekken en als dat lukt wordt dit verdubbeld door de overheid. Lukt dat niet, dan wordt hun subsidie gekort. Zo gebruikt de Commissie Cultuurprofijt onder leiding van Martijn Sanders de wortel en de stok om de instellingen in beweging te krijgen. Op de bijeenkomst ‘Cultuurprofijt en de kredietcrisis’ op 3 februari lieten sommige instellingen deze boodschap gelaten over zich heen komen, terwijl anderen protesteren dat de opgelegde verplichtingen onhaalbaar zijn. Door de crisis houdt iedereen de hand op de knip.

Morele meerwaarde

Martijn Sanders heeft als voormalig directeur van het Concertgebouw de nodige ervaring met het mecenaat. In de 24 jaar dat hij er directeur was verdubbelde het aantal bezoekers van 450.000 naar 800.000 en groeide het Concertgebouworkest uit tot een orkest van wereldniveau. Sanders deed veel aan serviceverbetering, direct marketing en het tot bloei brengen van vriendenverenigingen. Verder vormde hij een bestuur met topmensen uit het bedrijfsleven, die met hem actief op zoek gingen naar geld. De gulle gever wordt gelokt met de ‘morele meerwaarde’ van zijn donatie. In de praktijk blijken echter de status van het Concertgebouw en de mogelijkheid om in de pauzes te netwerken met de juiste mensen, een grote rol te spelen.

Inmiddels komt het jaarbudget van het Concertgebouworkest (20,5 miljoen) voor de helft (!) uit eigen inkomsten. Daarnaast is er een Donateursstichting voor muziekinstrumenten (800.000 per jaar, buffer 10 miljoen) en een stichting voor muziekeducatie en de renovatie van het gebouw (1,2 miljoen per jaar, buffer 5,4 miljoen), FD, 31-1-09. Het Concertgebouw kan als pionier gelden op het gebied van het mecenaat in Nederland, en het is geen wonder dat minister Plasterk Martijn Sanders tot voorzitter van de commissie Cultuurprofijt heeft benoemd. Sommige musea hebben dezelfde weg bewandeld, zoals het Van Goghmuseum, het Rijksmuseum, het Mauritshuis en museum Boijmans van Beuningen, maar veel musea voor moderne kunst moeten de omslag nog maken.

Record

De naam Sanders ook op in relatie tot het Stedelijk Museum. Het imago van het museum, ooit de parel aan de kroon van de moderne kunstmusea, heeft zwaar geleden onder de perikelen en de kostenoverschrijding van de nieuwbouw, de treurige noodlocatie in Post-CS en de tijdelijke sluiting. Sanders adviseerde om een ambitieus bestuur samen te stellen met als voorzitter Rijkman Groenink (destijd ceo van ABN-Amro). Als wervers werden Cor van Zadelhoff en Morris Tabaksblat aangetrokken, die gewapend met hun blackberry’s op zoek gingen naar donateurs.

In navolging van het Amerikaanse devies ‘ Give, get, or get out,’ haalden de heren 26 miljoen op om het tekort voor de renovatie te dekken. ‘Een recordbedrag voor fundraising in Nederland,’ vertelt directeur Gijs Van Tuyl trots. Als ‘unique sellingpoints’ gelden de unieke locatie aan het Museumplein en de topkwaliteit van de internationale collectie moderne kunst die gerelateerd wordt aan actuele kunstuitingen. (Van Tuyl is dan ook niet blij met de voorstellen van het stadsbestuur voor een concurrerend Museum van de 21ste eeuw op de Zuidas, waardoor het Stedelijk tot een historisch museum van de 20ste eeuw wordt gereduceerd).

Als tegenprestatie krijgen de ‘major donors’ recht op zaalvernoeming, variërend van een grote zaal voor een donatie van 2-5 miljoen euro en een kleinere voor lagere bedragen. Tot de belangrijkste schenkers behoren de Van den Ende Foundation, Teijin Aramid (een vroegere dochter van AKZO en producent van de witte vezel voor de gevelbekleding), het handelshuis IMC en de ABN-Amro. Overigens hebben ook de provincie Noord-Holland en het Rijk een duit in het zakje gedaan, dus de opbrengst komt niet geheel uit private bron.

Verzamelaars als mecenas

Deze jacht op mecenassen is nieuw voor het Stedelijk Museum, maar tegelijkertijd een terugkeer naar het verleden want, zoals zo vaak, is ook de basis voor dit museum gelegd door privéverzamelaars. In 1875 richtte C.P. van Eeghen een verzamelaarsclub op, de in 1875 opgerichte Vereeniging tot het vormen van eene openbare verzameling van Hedendaagsche Kunst (VVKH), die overigens ook kunstenaars financieel ondersteunde. In 1895 ging Van Eeghen’s droom in vervulling een kreeg de collectie onderdak in het Stedelijk Museum. In 1905 ging men met de pet rond voor het ‘honderd-duizend-gulden-fonds’, om de collectie uit te kunnen breiden, maar ook toen was het niet gemakkelijk om geld op te halen. ‘Daar gaan we weer voor de afdeling Beedelarij…Dan is het beeter om direct een hoog bedrag te vragen. ’T Is toch steeds hetzelfde clubje, dan hoeft men geen tweede keer langs te gaan’, verzuchtte de toenmalige fondsenwerver, Ernst Heldring. Na de Tweede Wereldoorlog werd de VVKH ontmanteld en koos het Stedelijk Museum voor overheidsfinanciering, omdat directeur Willem Sandberg geen zin meer had in bemoeienis met zijn aankoopbeleid, aldus Renée Steenbergen in De Nieuwe Mecenas. Met de huidige fondsenwervingacties is de cirkel weer rond, met dezelfde voetangels en klemmen van weleer. Want hoe krijg je mecenassen zover dat ze geld geven? En hoeveel invloed willen ze daarvoor terug?

Renée Steenbergen maakt in opdracht van het Stedelijk een haalbaarheidsstudie over het aanhalen van de banden met particuliere schenkers. Er wordt gedacht aan meerdere ‘geefkringen’ en daarbij zijn verzamelaars een belangrijke, zo niet de belangrijkste doelgroep, want zij hebben een passie voor kunst. ‘De gevers zullen de VIP-behandeling krijgen die ze verdienen’, belooft Van Tuyl en dat betekent in de praktijk een eerherstel voor de verzamelaars, die decennialang zorgvuldig buiten de deur werden gehouden.

Op dit vlak hebben musea nogal wat steken laten vallen. Veel bruikleengevers klagen dat ze geen uitnodiging krijgen voor de tentoonstelling, geen catalogus noch een bedankje voor het gratis uitlenen van hun kunst en soms komt het zelfs kapot terug. Er is een cultuuromslag nodig, wil de nieuwe alliantie met particuliere mecenassen van de grond komen.

Bruiklenen

‘Lange tijd heerste er een cultuur dat het geld toch wel binnen zou komen,’ beaamt Gijs van Tuyl, maar hij wijst er ook op dat de liefde van twee kanten moet komen. ‘In Duitsland en Engeland dineer ik vaak bij verzamelaars, maar in Nederland ben ik nog nooit bij een verzamelaar thuis uitgenodigd.’ Van Tuyl vertelt over de warme relatie tussen Kunstmuseum Wolfsburg en de Vrienden van het museum, waar hij van 1992-2005 directeur was. Met de 125 Vrienden van dit private museum organiseerde hij trips met atelierbezoeken aan kunstenaars in het buitenland. ’s Avonds presenteerde hij tijdens het diner drie werken die hij met hun geld graag zou aankopen. De Vrienden mochten de keus maken, die dan vervolgens als ‘Schenking van de Vrienden van Kunstmuseum Wolfsburg’ werd gepresenteerd. ‘Zo creëer je betrokkenheid’, aldus Van Tuyl, en het is interessant om te zien hoe de relatie met de Vrienden van het Stedelijk verder zal worden uitgebouwd.

Sinds 2003 werkt het Stedelijk samen met de Broere Charitable Foundation. Het aankoopbudget van het Stedelijk bedraagt een luttele 800.000 euro en Van Tuyl is blij dat de aankopen worden aangevuld met bruiklenen uit The Monique Zajfen Collection, vernoemd naar de jong overleden, visionaire Antwerpse galeriehoudster en vriendin van de familie. In 2000 besloot de familie Broere, die kapitaal had vergaard met hun scheeps- en olieopslagbedrijf, om in haar nagedachtenis een tweejaarlijkse Europese prijs in te stellen, The Vincent Award ter waarde van 50.000 euro. Het Stedelijk fungeert als podium voor deze prijs. Het voordeel is dat het museum de werken uit The Monique Zajfen Collection in bruikleen krijgt, waarbij het Stedelijk een keus uit het oeuvre van de winnaar, maar het nadeel is dat het museum de werken niet in eigendom verkrijgt. Zoals Renée Steenbergen in ‘De Nieuwe Mecenas’ betoogt, bestaat het risico dat de bruikleengever de werken terugtrekt, waardoor er een gat valt in de collectie. Dat gevaar is niet denkbeeldig. Zo bouwde de gemeente Amstelveen een museum om de Cobra-collectie van Karel van Stuivenberg te huisvesten. Het Cobramuseum kreeg zijn verzameling in bruikleen, maar uiteindelijk konden de partijen het niet eens worden over de verkoopprijs. En in 2002 verkocht Van Stuivenberg de collectie deels aan het museum, en deels aan een buitenlander.

Promised gift

Ook het Museum Boijmans van Beuningen heeft zijn kaarten op verzamelaars gezet en dat sluit naadloos aan bij de geschiedenis van het museum. Tijdens de Verzamelaarsdag op 17 januari waren er lezingen over George van Beuningen (1877-1955), Theodoor Herman Lunsingh Scheurleer (1911-2002) en Franz W. Koenigs (1881-1941), bezeten verzamelaars die anderen deelgenoot wilden maken van hun passie en hun collecties aan het museum schonken. Aan Van Beuningen dankt het museum zijn naam en zijn oude meesters, aan Lunsingh Scheurleer de collectie ornament- en architectuurprenten en aan Koenigs een reeks fenomenale tekeningen. Koenigs inbreng had groter kunnen zijn, ware het niet dat Van Beuningen een deel (20%) van zijn tekeningencollectie aan de Nazi’s had verkocht, die vervolgens als oorlogsbuit in Russische handen viel en inmiddels gedeeltelijk door de Nederlandse staat is teruggevorderd. Dit is een van de weinige minpunten in de geschiedenis van dit bloeiende verzamelaarsmuseum, dat in de 160 jaar van zijn bestaan ruim 28.000 van de 141.000 kunstwerken verwierf door de generositeit van 1605 schenkers. In het voetspoor van deze traditie wordt de samenwerking met verzamelaars verder uitgebreid. De Verzamelaarsdag is bedoeld als startschot voor verzamelaarsclubs. Het museum wil ook een servicecentrum worden dat niet alleen zijn expertise met verzamelaars deelt, maar waar zij desgewenst ook hun collectie kunnen onderbrengen en er hebben zich al 8 belangstellenden gemeld, die ook willen bijdragen in de kosten.

Directeur Sjarel Ex heeft veel ervaring met het fondsenwerven hetgeen noodzakelijk is om zijn ambities te kunnen verwezenlijken. Momenteel werkt hij samen met 30 mecenassen die elk op eigen wijze iets bijdragen aan het museum. Een van hen is Han Nefkens, die Sjarel Ex in 1999 ontmoette toen hij nog directeur was van het Centraal Museum. Deze vermogende particulier wilde hedendaagse kunst gaan verzamelen, niet als financiële belegging, maar om het plezier dat hij eraan beleeft te kunnen delen met anderen, het psychologische rendement.

Nefkens oriënteerde zich zo breed mogelijk en zocht daarvoor ook contact met het museale veld. Nadat hij vergeefs bij vier musea had aangeklopt, kwam hij terecht bij Ex. Het klikte tussen de twee en gaandeweg rijpte het idee voor een samenwerking, die zijn beslag kreeg toen ze in 2000 een bezoek brachten aan de Art Basel. Na een rondgang over de beurs bleek het duo dezelfde voorkeuren te hebben. Nefkens kocht hun favoriete werken, variërend van Pippilotti Rist, Tony Oursler, Bill Viola en Bernhard Frieze voor 600.000 gulden, gaf ze in bruikleen aan het museum en bepaalde dat ze in geval van overlijden worden geschonken, (de zogenaamde ‘promised gift’). Toen Ex naar Rotterdam vertrok kreeg de samenwerking een andere vorm, waarbij Nefkens investeert in kunst. H + F mecenaat schenkt vijf jaar lang 200.000 euro per jaar zodat kunstenaars werk kunnen realiseren en catalogi en apparatuur kunnen worden bekostigd. Daarmee staat Nefkens aan de wieg van kunstwerken die er anders niet waren geweest en dat geeft de schenker veel voldoening. Toch stuit de samenwerking ook op grenzen. Het ontvangende museum moet ook nee kunnen zeggen, als de aankopen van de verzamelaar niet passen in het collectieplan, vindt Ex. Nefkens bracht zijn aankopen ook bij andere musea als De Pont, Huis Marseille, het Folkwangmuseum in Essen en het museum in Reykjavik onder, als ze daar beter op hun plaats waren. Sinds 2003 is hij ook elders overgestapt op het investeren in de productie van kunst in Fashion on the Edge (met het Centraal Museum), de H+F Curatorial Grant (met Frac Nord-Pas de Calais) en ArtAids.

De structurele bijdragen van Nefkens, particuliere fondsen als het Fonds van Rede, Stichting Museum Boijmans van Beuningen, Stichting Lucas van Leyden, de subsidie van het Mondriaanfonds en de Bankgiroloterij geven het Boijmans aanzienlijk meer armslag. Gevoegd bij de incidentele bijdragen van een heel scala aan fondsen (zoals de Stichting Volkskracht, het SNS Reaalfonds, het VSB fonds en overheidsbijdragen), wordt het jaarlijkse aankoopbudget van 200.000 euro vertienvoudigd tot 2 of soms zelfs 3 miljoen euro.

Perfect Match

Vorig jaar beleefde ‘My First Art Collection’ een vliegende start, die het verzamelen wil bevorderen. Initiatiefnemer Ricardo Burgzorg bundelt de expertise in de kunstwereld, van museummedewerkers, de universiteit tot galeriehouders en recensenten, om beginnende verzamelaars wegwijs te maken. Zijn trainingsprogramma is nu al ruim overtekend en wordt uitgebreid naar verschillende steden (zie www.myfirstartcollection.nl).

Ook elders worden banden gesmeed tussen musea en verzamelaars. Stedelijk Museum Schiedam liep voorop en organiseerde al in 1998 een tentoonstelling met van het duo Han en Wouter Altena Boswinkel, dat hun collectie vervolgens aan het museum schonk. Sinds 1954 verzamelt het museum werk van ‘thans levende Nederlandse kunstenaars’ en de collectie Nederlandse kunst van Altena Boswinkel sluit hier naadloos bij aan. Deze verzamelaars-tentoonstelling was de eerste in een lange reeks, zoals onlangs de collectie van Otto Schaap.

Het Schunck Collectors House, een zogenaamde publiek-private samenwerking tussen Stijn Huijts van het Schunck Glaspaleis en de Sittardse psychiater en verzamelaar Albert Groot, krijgt een aparte behuizing naar voorbeeld van het Maison Rouge in Parijs. Dit ‘verzamelaarshuis’ dient als etalage en ontmoetingsplek voor particuliere verzamelaars uit de Eurregio en daarmee wordt een rijke ader aangeboord, zo blijkt uit de huidige tentoonstelling in het Glaspaleis van de collecties Groot-Wijnands, DSM, Defauwes en Jo en Marlies Eyck.

Rest de vraag waarom deze mecenassen zo vrijgevig zijn en de werken doneren, in plaats van ze tegen lucratieve prijzen te laten veilen. Voor de meeste mecenassen geeft het schenken van kunst meer voldoening omdat je je eigen passie met anderen kunt delen. Zoals Han Nefkens het uitdrukt: ‘Ik zou een vlieg aan de muur willen zijn in het museum en de mensen willen zien kijken en horen praten. Hoe reageren de mensen op de kunst die ik heb verzameld?’ Voor Adriaan van Ravesteijn en de 2005 overleden Geert van Beijeren speelde ook het verlangen de collectie in zijn samenhang te kunnen bewaren een rol. Bij verkoop valt de verzameling uiteen. Tussen 1968 en 2001 dreef het duo de bekende galerie Art & Project, waarbij zij met aankopen de ontwikkeling van ‘hun’ kunstenaars illustreerden. Zij gaven sommige kunstenaars ook een voorschot om hun werk te kunnen maken, hetgeen later verrekend werd bij verkoop uit de tentoonstelling. Het duo schonk een cluster van conceptuele werken aan het MOMA in New York en gaf 1200 werken in bruikleen aan Rijksmuseum Twenthe onder de naam Depot VBVR. Het Rijksmuseum was de ‘perfect match.’ Voor het relatief kleine museum is Depot VBVR een belangrijke toevoeging, die trots aan het publiek wordt getoond. Bovendien kon het duo heel goed overweg met de toenmalige conservator, Lisette Pelsers (nu directeur). Gekozen is voor een bruikleen met ‘promised gift’ constructie. ‘Zo houd je de vinger aan de pols,’ aldus Van Ravesteijn. Overigens ontvingen ook het

Gemeentemuseum, Museum Boijmans van Beuningen en het Rijksmuseum een aantal werken uit Depot VBVR in langdurige bruikleen.

Mecenassen en kunstenaars

Het bijzondere van al deze mecenassen is hun passie voor kunst en het feit zij de bestaande musea versterken,

en niet hun eigen cultuurtempel oprichten. En dat is mooi, want er komen steeds meer musea die elkaar beconcurreren en werven om hetzelfde publiek. Zo steeg het aantal musea van 485 in 1980 naar 697 in 1990. Maar nog mooier zou het zijn als de mecenassen niet in de etalage, maar direct in de productie van kunst zouden

investeren. Eeuwen lang was er direct contact tussen kunstproducenten en consumenten, totdat in de 19de eeuw de musea als intermediair gingen dienen, waardoor de kunstenaar naar de achtergrond verdween. Maecenas was de naam van een rijke romein, diplomaat en adviseur van keizer Augustus, die de belangrijkste dichters van zijn tijd van een toelage voorzag. Kerkvaders gaven opdrachten en vorsten onderhielden een keur van kunstenaars om hun paleizen glans te verlenen. Rembrandt vond een beschermheer in Jan Six. Vermeer had één verzamelaar, Pieter van Ruijven en werd pas in de 19de eeuw beroemd. Bart van der Leck werd gesteund door Hélène Kröller-Müller. Vincent van Gogh door zijn broer Theo. Gelukkig maar, anders had Vincent zich niet kunnen ontwikkelen en dan hadden we nu geen Van Goghmuseum. Picasso kreeg een maandgeld voor productie van galeriehouder Kahnweiler. René Magritte en Salvador Dalí konden schilderen dankzij de Engelse mecenas Edward James, en Duchamp werd gesteund door Walter en Louise Arensberg.

Marginalisering van de kunstenaar

Kunstenaars zijn altijd gesteund en met de komst van de verzorgingsstaat nam de overheid de rol van mecenas op zich. In de Beeldende Kunstenaars Regeling (1956-1987) kreeg de kunstenaar automatisch een inkomen in ruil voor werk. Vervolgens werden de beurzen niet meer automatische verstrekt, en terecht, maar werd er door het Fonds BKVB een kwalitatieve toetsing ingevoerd. Een prima systeem dat veel talent tot bloei heeft gebracht. Alle kunstenaars die schitteren in het buitenland, van Marlène Dumas, Henk Visch, Marijke van Warmerdam, Rineke Dijkstra, Saskia Olde Wolbers, Michael Raedecker, Rob Voerman, Fiona Tan, Folkert de Jong enz., zijn begonnen met een beurs van de overheid, maar het aantal beurzen loopt dramatisch terug. Zo waren er in 1988 nog 1643 beurzen tegen 271 nu (de flexibele werkbudgetten niet meegerekend). Ook andere geldstromen drogen op of verdwijnen. Zo staat de WWIK ter discussie (In 2003 was dit nog 40 miljoen, in 2007 nog 25 miljoen) en de Geldstroom BKV (18 miljoen) gaat niet meer naar kunstenaars, maar naar kunst.

De Kunstraad waarschuwt voor ‘de toenemende institutionalisering van de kunst en de marginalisering van de kunstenaar, die zwak staat vanwege zijn ‘stand-alone positie’ ( rapport ‘Innoveren, participeren, maart 2007). Musea en kunstbemiddelende organisaties zijn beter toegerust om subsidies in de wacht te slepen en individuele kunstenaars trekken aan het kortste eind. Kregen kunstenaars in 1983 nog 130 miljoen gulden, nu is er nog 37 miljoen euro over en dat was aanleiding voor het Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst om in de Tweede Kamer te gaan protesteren, een actie die door 2000 mensen uit de kunstwereld werd gesteund. Kunstenaars worden verwezen naar de markt, maar er zijn te weinig verzamelaars in Nederland en de totale omzet van 130 miljoen euro door galeries en kunstuitlenen (zie rapport Artes 2007) is onvoldoende om kunstenaars een bestaan te verschaffen. Bovendien is het maken van unieke kunstwerken te tijdrovend om rendabel te zijn. Door het wegvallen van de overheidssubsidies vallen kunstenaars in een financieel gat. Er is geen vangnet, want ook de bestaande private fondsen, zoals het Prins Bernhard Cultuur Fonds, richten zich op instellingen en niet op kunstenaars. Het is niet voldoende om de etalage te financieren, het geld moet terug naar de bron. Anders komt de productie van kunst in gevaar!

Kopen

Zijn er dan geen mecenassen die kunstenaars willen steunen? Nee, niet of nauwelijks. Mecenassen richten zich

vooral op musea, uitzonderingen daargelaten. En als ze kunstenaars steunen, dan doen ze dat door hun kunst

te kopen, niet door te investeren in het productieproces. Jacques Defauwes raakte in 1987 bevriend met

kunstenaar Jaap Mooy die zijn hart stal en met wie hij tot zijn dood in 1995? een levendige correspondentie

onderhield. Defauwes kocht zijn werk en ondersteunde de kunstenaar en inmiddels heeft zijn verzameling de

omvang van een klein museum. Paul Lintzen, directeur van transportbedrijf Convoi kwam door zijn werk in

contact met beeldhouwer in steen Piet Berghs. Lintzen werd de belangrijkste verzamelaar van zijn

steensculpturen en richtte een museum in dat is gevestigd op de tweede verdieping van zijn bedrijf. Zakenman

George Banken onderkent de noodzaak van ondersteuning, en koopt werk van meerdere jonge kunstenaars, dat

vervolgens in collecties wordt ondergebracht. Dan is er nog de verzamelaarscursus van kunstenaarsinitiatief

W139, waarbij er wordt gewerkt aan het vergroten van de betrokkenheid tussen verzamelaars en kunstenaars, in

de hoop dat zij mettertijd ook in het werk van de kunstenaars van W139 zullen investeren.

En tot slot is er nog het collectieve aankoopfonds van Déiska, waarbij de deelnemers 15.000 euro inleggen om

werk van geselecteerde kunstenaars te kopen. Ze mogen de kunst thuis ophangen en de kunstenaars mogen op

hun beurt een beroep doen op de kennis en contacten van de deelnemers. Déiska is een beleggingsfonds met

winstoogmerk. Inmiddels is de waarde van de collectie verdubbeld door het tijdig aankopen van jong talent als

Martha Colburn, Elspeth Diederix, David Lindberg en anderen, vertelt directeur Donna Wolf trots.

Buitenlandse fondsen

Heel vindingrijk zijn de pogingen van kunstenaar Harmen Brethouwer om mecenassen te vinden die in zijn werk

willen investeren. Brethouwer thematiseert de kostbaarheid van de kunst, maar kan de uitgelezen materialen en

ambachtelijke technieken niet zelf bekostigen. Met hulp van museum Boijmans van Beuningen vond hij een

verzamelaarsduo die de productie van een werk van zilverfiligraan voor hun rekening nam, inclusief de reis naar

de werkplaats in Portugal en een honorarium voor de kunstenaar. En nadat ze het werk een poosje in huis

hadden gehad werd het aan het Boijmans geschonken. Voor een volgend project benaderde Brethouwer een

glasverzekeraar, die het werk bekostigde en het met al zijn zakenrelaties kwam bewonderen op de KunstRai in

2005. Een werk van klokkenbrons dat werd gegoten bij Eijsbouts in Asten, werd bekostigd door een

verzamelaarsduo, en ook zij schonken dit werk aan het Boijmans. Brethouwers meest recente werk, de ‘Improved

Flowers’, werden in drievoud in porselein gegoten door Koninklijke Tichelaar in Makkum. Als dank voor zijn

investering kreeg de verzamelaar één exemplaar, en de overige twee worden te koop aangeboden.

Dit voorbeeld van Brethouwer is uniek, omdat hier mecenassen hebben geïnvesteerd in de productie van het

kunstwerk. De kostbaarheden van Brethouwer zijn heel bijzonder en erg gewild bij verzamelaars. Maar voor

moeilijk verkoopbare kunst, zoals installatiekunst, vergankelijke kunst, video of animatie biedt deze aanpak geen

soelaas. Bovendien is ook het dekken van de productiekosten niet voldoende, want een kunstenaar moet ook

leven. Zelfs Brethouwer heeft een subsidie van het Fonds BKVB nodig om te kunnen werken en dat wordt steeds

moeilijker door de daling van het aantal beurzen. Het is dan ook van essentieel belang dat er een Fonds de

Mecenas voor Beeldend Kunstenaars komt, waarbij particulieren kunstenaars in staat stelt om hun werk te

maken.

In het buitenland bestaan dit soort Fondsen al heel lang. In de VS vertrekt de John Simon Guggenheim Memorial

Foundation beurzen aan hooggekwalificeerde onderzoekers en talentvolle kunstenaars. In Groot-Britannië geeft

de Leverhulme Trust 40 miljoen pond aan 539 grensverleggende wetenschappers en kunstenaars. In Groot-

Brittanië wordt de kunst gesteund door de overheid èn het particuliere schenkers. De Arts Council ontvangt 1,1

miljard aan subsidie en daarnaast is er 450 miljoen pond aan particuliere donaties. Tenslotte werd in Japan in

1990 het Kigyo Mecenat Kyogikai (Association for Corporate Support for the Arts) opgericht, waarbij bedrijven

beurzen aan kunstenaars verstrekken. Daar kan Nederland een voorbeeld aan nemen.

Kunstenaars zijn de boom waar de hele kunstwereld, het publiek en de economie de vruchten van plukt. Laten we

haar water geven!

Anne Berk aberk@xs4all.nl

Written by zonderkunstenaarsgeenkunst

april 7, 2009 at 1:00 am

Geplaatst in Uncategorized

ACTIE IN ROTTERDAM

leave a comment »

De actie van het Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst gaan door.
In Rotterdam hebben kunstenaars de handschoen opgepakt.
Nienke Terpsma en Rob Hamelinck hebben een speciaal themanummer van Fucking Good Art aan
de financiele problemen van Rotterdamse kunstenaars gewijd (zie www.fuckinggoodart.nl).
Harmen Verbrugge, Karin Arink en Karin de Jong hebben op 13 februari een gesprek
georganiseerd met het CBK, DKC en diverse Rotterdamse politici,
om de mogelijkheid te onderzoeken om het geld uit de voormalige Geldstroom BKV
(2,1 miljoen) te herbestemmen als produktiebudgetten voor individuele kunstenaars.
Dit geld kwam oorspronkelijk uit de BKR.
Geef het terug aan de kunstenaars!

Written by zonderkunstenaarsgeenkunst

februari 19, 2009 at 8:13 am

Geplaatst in Uncategorized