zonderkunstenaarsgeenkunst

Just another WordPress.com weblog

Gezocht: mecenassen artikel Kunstbeeld april door Anne Berk

with 3 comments

Gezocht: mecenassen artikel Kunstbeeld april door Anne Berk

Eeuwenlang werd kunst gefinancierd door vorsten, kerkvaders en rijke burgers, maar met de komst van de verzorgingsstaat nam de overheid deze taak grotendeels op zich. Inmiddels probeert men op alle fronten de verantwoording weer bij de burger terug te leggen. Wat zijn de voor- en de nadelen? En wat zijn de gevolgen van de financiële en economische crisis?

Hierbij een overzicht over de betrekkingen tussen mecenassen en musea enerzijds en mecenassen en kunstenaars anderzijds.

Of we het leuk vinden of niet, de verzorgingsstaat wordt uitgekleed. De overheid is al langere tijd bezig om taken terug te leggen bij de burger, ook op het gebied van kunst- en cultuur. Dat vermindert de kosten en ‘vergroot het maatschappelijk draagvlak’, zoals het in jargon heet, want als je ergens aan meebetaalt, dan voel je je er ook meer bij betrokken, zo is de gedachte. We betalen al mee via ons belastinggeld, maar daarbij hebben we niet direct invloed op de wijze waarop het geld wordt uitgegeven. We kunnen alleen richting geven via ons stemgedrag. Vadertje Staat zorgt voor alles en dat maakt passief. In de zogenaamde ‘civic society’ kiest de burger zelf waar hij zijn geld aan uitgeeft en draagt daarmee actief bij aan de cultuur. Daarom stuurt de overheid doelbewust aan op het vergroten van de private inkomsten door de kunstinstellingen, met als lokkertje de fiscale aftrekbaarheid van giften.

Renée Steenbergen, specialist op het gebied van het mecenaat, heeft hoge verwachtingen. In de ‘Tweede Gouden Eeuw’ financierden rijke kooplieden cultuurtempels als het Rijksmuseum, Stedelijk Museum en het Concertgebouw en legden daarmee het fundament onder ons culturele leven. Nu staan we met het groeiend aantal miljonairs (100.000) aan de vooravond van een ‘Derde Gouden Eeuw’, aldus Steenbergen in haar spraakmakende boek ‘De Nieuwe Mecenas, (2008)’. In het calvinistische Nederland gaat echter slechts 3-5 % van het goede doelen geld naar cultuur. Er is dus een wereld te winnen, maar dan moet de burger wel actief worden aangesproken met een campagne ‘Geef om Cultuur’ naar voorbeeld van ‘Get Britain Giving,’ vindt Steenbergen. Deze jarenlange campagne bracht een omslag in het denken teweeg en heeft de Britse fondsen gespekt. In Groot-Brittannië bestaat sinds 2001 ook PhilanthropyUK (zie http://www.philanthropyuk.org), een organisatie die als schakel dient tussen gevers en ontvangende cultuurproducenten. En dat is het voorbeeld voor Steenbergen’s onlangs opgerichte ‘Centrum Geef om Cultuur’ dat wil bemiddelen tussen particuliere gevers en kunstorganisaties, zie http://www.geefomcultuur.nl.

‘Door het teruglopen van subsidies en de problemen met bedrijfssponsoring door de kredietcrisis zijn individuele schenkers belangrijker dan ooit. Daarom is het urgent om bruggen te slaan tussen mecenassen en musea. Dat gebeurt nog veel te weinig,’ vindt Steenbergen, die wil beginnen met het opzetten van een beeldbank met

kunst die verzamelaars in bruikleen willen geven aan musea.

Mecenassen en musea

Wortel en stok

In fiscaal opzicht steekt Nederland gunstig af bij het buitenland, maar voor het overige lopen wij achter op het gebied van het mecenaat. Er gaat jaarlijks 50 miljoen euro om aan privédonaties, tegen 500 miljoen euro in Duitsland en 450 miljoen pond in Groot-Britannië (www.culturalpolicies.net). Na het uitbreken van de crisis vinden we dat plotseling minder erg, want als het culturele leven afhankelijk wordt van privékapitaal, is het ook uiterst conjunctuurgevoelig. Door de financiële crisis zien eerbiedwaardige musea in de Verenigde Staten zoals de Getty Trust, het Metropolitan Museum of Art of het New Museum in New York, hun budgetten verschrompelen. LA Moca is zelfs failliet en nieuwbouwplannen worden geschrapt. Opeens prijst men zich gelukkig met de financiële ondersteuning van de overheid en Gijs van Tuyl, directeur van het Stedelijk Museum, noemt de gemeente Amsterdam, hoofdfinancier van de nieuwbouw, ‘een rots in de branding.’

Toch is de crisis geen excuus om lui achterover te leunen. De prijzen op de kunstmarkt zijn torenhoog en de museale aankoopbudgetten blijven daarbij achter. Crisis of geen crisis, de overheid treedt terug en omdat de kunst zichzelf niet kan bedruipen zijn vrijgevige mecenassen onmisbaar. In het regeerakkoord zijn afspraken gemaakt over bezuinigingen op kunst- en cultuur van tussen de 15 – 50 miljoen euro per jaar. Een deel kan worden terugverdiend via de zogenaamde ‘matchingsregeling’. De instellingen moeten zelf een extra bedrag zelf binnenhalen om hun kosten te dekken en als dat lukt wordt dit verdubbeld door de overheid. Lukt dat niet, dan wordt hun subsidie gekort. Zo gebruikt de Commissie Cultuurprofijt onder leiding van Martijn Sanders de wortel en de stok om de instellingen in beweging te krijgen. Op de bijeenkomst ‘Cultuurprofijt en de kredietcrisis’ op 3 februari lieten sommige instellingen deze boodschap gelaten over zich heen komen, terwijl anderen protesteren dat de opgelegde verplichtingen onhaalbaar zijn. Door de crisis houdt iedereen de hand op de knip.

Morele meerwaarde

Martijn Sanders heeft als voormalig directeur van het Concertgebouw de nodige ervaring met het mecenaat. In de 24 jaar dat hij er directeur was verdubbelde het aantal bezoekers van 450.000 naar 800.000 en groeide het Concertgebouworkest uit tot een orkest van wereldniveau. Sanders deed veel aan serviceverbetering, direct marketing en het tot bloei brengen van vriendenverenigingen. Verder vormde hij een bestuur met topmensen uit het bedrijfsleven, die met hem actief op zoek gingen naar geld. De gulle gever wordt gelokt met de ‘morele meerwaarde’ van zijn donatie. In de praktijk blijken echter de status van het Concertgebouw en de mogelijkheid om in de pauzes te netwerken met de juiste mensen, een grote rol te spelen.

Inmiddels komt het jaarbudget van het Concertgebouworkest (20,5 miljoen) voor de helft (!) uit eigen inkomsten. Daarnaast is er een Donateursstichting voor muziekinstrumenten (800.000 per jaar, buffer 10 miljoen) en een stichting voor muziekeducatie en de renovatie van het gebouw (1,2 miljoen per jaar, buffer 5,4 miljoen), FD, 31-1-09. Het Concertgebouw kan als pionier gelden op het gebied van het mecenaat in Nederland, en het is geen wonder dat minister Plasterk Martijn Sanders tot voorzitter van de commissie Cultuurprofijt heeft benoemd. Sommige musea hebben dezelfde weg bewandeld, zoals het Van Goghmuseum, het Rijksmuseum, het Mauritshuis en museum Boijmans van Beuningen, maar veel musea voor moderne kunst moeten de omslag nog maken.

Record

De naam Sanders ook op in relatie tot het Stedelijk Museum. Het imago van het museum, ooit de parel aan de kroon van de moderne kunstmusea, heeft zwaar geleden onder de perikelen en de kostenoverschrijding van de nieuwbouw, de treurige noodlocatie in Post-CS en de tijdelijke sluiting. Sanders adviseerde om een ambitieus bestuur samen te stellen met als voorzitter Rijkman Groenink (destijd ceo van ABN-Amro). Als wervers werden Cor van Zadelhoff en Morris Tabaksblat aangetrokken, die gewapend met hun blackberry’s op zoek gingen naar donateurs.

In navolging van het Amerikaanse devies ‘ Give, get, or get out,’ haalden de heren 26 miljoen op om het tekort voor de renovatie te dekken. ‘Een recordbedrag voor fundraising in Nederland,’ vertelt directeur Gijs Van Tuyl trots. Als ‘unique sellingpoints’ gelden de unieke locatie aan het Museumplein en de topkwaliteit van de internationale collectie moderne kunst die gerelateerd wordt aan actuele kunstuitingen. (Van Tuyl is dan ook niet blij met de voorstellen van het stadsbestuur voor een concurrerend Museum van de 21ste eeuw op de Zuidas, waardoor het Stedelijk tot een historisch museum van de 20ste eeuw wordt gereduceerd).

Als tegenprestatie krijgen de ‘major donors’ recht op zaalvernoeming, variërend van een grote zaal voor een donatie van 2-5 miljoen euro en een kleinere voor lagere bedragen. Tot de belangrijkste schenkers behoren de Van den Ende Foundation, Teijin Aramid (een vroegere dochter van AKZO en producent van de witte vezel voor de gevelbekleding), het handelshuis IMC en de ABN-Amro. Overigens hebben ook de provincie Noord-Holland en het Rijk een duit in het zakje gedaan, dus de opbrengst komt niet geheel uit private bron.

Verzamelaars als mecenas

Deze jacht op mecenassen is nieuw voor het Stedelijk Museum, maar tegelijkertijd een terugkeer naar het verleden want, zoals zo vaak, is ook de basis voor dit museum gelegd door privéverzamelaars. In 1875 richtte C.P. van Eeghen een verzamelaarsclub op, de in 1875 opgerichte Vereeniging tot het vormen van eene openbare verzameling van Hedendaagsche Kunst (VVKH), die overigens ook kunstenaars financieel ondersteunde. In 1895 ging Van Eeghen’s droom in vervulling een kreeg de collectie onderdak in het Stedelijk Museum. In 1905 ging men met de pet rond voor het ‘honderd-duizend-gulden-fonds’, om de collectie uit te kunnen breiden, maar ook toen was het niet gemakkelijk om geld op te halen. ‘Daar gaan we weer voor de afdeling Beedelarij…Dan is het beeter om direct een hoog bedrag te vragen. ’T Is toch steeds hetzelfde clubje, dan hoeft men geen tweede keer langs te gaan’, verzuchtte de toenmalige fondsenwerver, Ernst Heldring. Na de Tweede Wereldoorlog werd de VVKH ontmanteld en koos het Stedelijk Museum voor overheidsfinanciering, omdat directeur Willem Sandberg geen zin meer had in bemoeienis met zijn aankoopbeleid, aldus Renée Steenbergen in De Nieuwe Mecenas. Met de huidige fondsenwervingacties is de cirkel weer rond, met dezelfde voetangels en klemmen van weleer. Want hoe krijg je mecenassen zover dat ze geld geven? En hoeveel invloed willen ze daarvoor terug?

Renée Steenbergen maakt in opdracht van het Stedelijk een haalbaarheidsstudie over het aanhalen van de banden met particuliere schenkers. Er wordt gedacht aan meerdere ‘geefkringen’ en daarbij zijn verzamelaars een belangrijke, zo niet de belangrijkste doelgroep, want zij hebben een passie voor kunst. ‘De gevers zullen de VIP-behandeling krijgen die ze verdienen’, belooft Van Tuyl en dat betekent in de praktijk een eerherstel voor de verzamelaars, die decennialang zorgvuldig buiten de deur werden gehouden.

Op dit vlak hebben musea nogal wat steken laten vallen. Veel bruikleengevers klagen dat ze geen uitnodiging krijgen voor de tentoonstelling, geen catalogus noch een bedankje voor het gratis uitlenen van hun kunst en soms komt het zelfs kapot terug. Er is een cultuuromslag nodig, wil de nieuwe alliantie met particuliere mecenassen van de grond komen.

Bruiklenen

‘Lange tijd heerste er een cultuur dat het geld toch wel binnen zou komen,’ beaamt Gijs van Tuyl, maar hij wijst er ook op dat de liefde van twee kanten moet komen. ‘In Duitsland en Engeland dineer ik vaak bij verzamelaars, maar in Nederland ben ik nog nooit bij een verzamelaar thuis uitgenodigd.’ Van Tuyl vertelt over de warme relatie tussen Kunstmuseum Wolfsburg en de Vrienden van het museum, waar hij van 1992-2005 directeur was. Met de 125 Vrienden van dit private museum organiseerde hij trips met atelierbezoeken aan kunstenaars in het buitenland. ’s Avonds presenteerde hij tijdens het diner drie werken die hij met hun geld graag zou aankopen. De Vrienden mochten de keus maken, die dan vervolgens als ‘Schenking van de Vrienden van Kunstmuseum Wolfsburg’ werd gepresenteerd. ‘Zo creëer je betrokkenheid’, aldus Van Tuyl, en het is interessant om te zien hoe de relatie met de Vrienden van het Stedelijk verder zal worden uitgebouwd.

Sinds 2003 werkt het Stedelijk samen met de Broere Charitable Foundation. Het aankoopbudget van het Stedelijk bedraagt een luttele 800.000 euro en Van Tuyl is blij dat de aankopen worden aangevuld met bruiklenen uit The Monique Zajfen Collection, vernoemd naar de jong overleden, visionaire Antwerpse galeriehoudster en vriendin van de familie. In 2000 besloot de familie Broere, die kapitaal had vergaard met hun scheeps- en olieopslagbedrijf, om in haar nagedachtenis een tweejaarlijkse Europese prijs in te stellen, The Vincent Award ter waarde van 50.000 euro. Het Stedelijk fungeert als podium voor deze prijs. Het voordeel is dat het museum de werken uit The Monique Zajfen Collection in bruikleen krijgt, waarbij het Stedelijk een keus uit het oeuvre van de winnaar, maar het nadeel is dat het museum de werken niet in eigendom verkrijgt. Zoals Renée Steenbergen in ‘De Nieuwe Mecenas’ betoogt, bestaat het risico dat de bruikleengever de werken terugtrekt, waardoor er een gat valt in de collectie. Dat gevaar is niet denkbeeldig. Zo bouwde de gemeente Amstelveen een museum om de Cobra-collectie van Karel van Stuivenberg te huisvesten. Het Cobramuseum kreeg zijn verzameling in bruikleen, maar uiteindelijk konden de partijen het niet eens worden over de verkoopprijs. En in 2002 verkocht Van Stuivenberg de collectie deels aan het museum, en deels aan een buitenlander.

Promised gift

Ook het Museum Boijmans van Beuningen heeft zijn kaarten op verzamelaars gezet en dat sluit naadloos aan bij de geschiedenis van het museum. Tijdens de Verzamelaarsdag op 17 januari waren er lezingen over George van Beuningen (1877-1955), Theodoor Herman Lunsingh Scheurleer (1911-2002) en Franz W. Koenigs (1881-1941), bezeten verzamelaars die anderen deelgenoot wilden maken van hun passie en hun collecties aan het museum schonken. Aan Van Beuningen dankt het museum zijn naam en zijn oude meesters, aan Lunsingh Scheurleer de collectie ornament- en architectuurprenten en aan Koenigs een reeks fenomenale tekeningen. Koenigs inbreng had groter kunnen zijn, ware het niet dat Van Beuningen een deel (20%) van zijn tekeningencollectie aan de Nazi’s had verkocht, die vervolgens als oorlogsbuit in Russische handen viel en inmiddels gedeeltelijk door de Nederlandse staat is teruggevorderd. Dit is een van de weinige minpunten in de geschiedenis van dit bloeiende verzamelaarsmuseum, dat in de 160 jaar van zijn bestaan ruim 28.000 van de 141.000 kunstwerken verwierf door de generositeit van 1605 schenkers. In het voetspoor van deze traditie wordt de samenwerking met verzamelaars verder uitgebreid. De Verzamelaarsdag is bedoeld als startschot voor verzamelaarsclubs. Het museum wil ook een servicecentrum worden dat niet alleen zijn expertise met verzamelaars deelt, maar waar zij desgewenst ook hun collectie kunnen onderbrengen en er hebben zich al 8 belangstellenden gemeld, die ook willen bijdragen in de kosten.

Directeur Sjarel Ex heeft veel ervaring met het fondsenwerven hetgeen noodzakelijk is om zijn ambities te kunnen verwezenlijken. Momenteel werkt hij samen met 30 mecenassen die elk op eigen wijze iets bijdragen aan het museum. Een van hen is Han Nefkens, die Sjarel Ex in 1999 ontmoette toen hij nog directeur was van het Centraal Museum. Deze vermogende particulier wilde hedendaagse kunst gaan verzamelen, niet als financiële belegging, maar om het plezier dat hij eraan beleeft te kunnen delen met anderen, het psychologische rendement.

Nefkens oriënteerde zich zo breed mogelijk en zocht daarvoor ook contact met het museale veld. Nadat hij vergeefs bij vier musea had aangeklopt, kwam hij terecht bij Ex. Het klikte tussen de twee en gaandeweg rijpte het idee voor een samenwerking, die zijn beslag kreeg toen ze in 2000 een bezoek brachten aan de Art Basel. Na een rondgang over de beurs bleek het duo dezelfde voorkeuren te hebben. Nefkens kocht hun favoriete werken, variërend van Pippilotti Rist, Tony Oursler, Bill Viola en Bernhard Frieze voor 600.000 gulden, gaf ze in bruikleen aan het museum en bepaalde dat ze in geval van overlijden worden geschonken, (de zogenaamde ‘promised gift’). Toen Ex naar Rotterdam vertrok kreeg de samenwerking een andere vorm, waarbij Nefkens investeert in kunst. H + F mecenaat schenkt vijf jaar lang 200.000 euro per jaar zodat kunstenaars werk kunnen realiseren en catalogi en apparatuur kunnen worden bekostigd. Daarmee staat Nefkens aan de wieg van kunstwerken die er anders niet waren geweest en dat geeft de schenker veel voldoening. Toch stuit de samenwerking ook op grenzen. Het ontvangende museum moet ook nee kunnen zeggen, als de aankopen van de verzamelaar niet passen in het collectieplan, vindt Ex. Nefkens bracht zijn aankopen ook bij andere musea als De Pont, Huis Marseille, het Folkwangmuseum in Essen en het museum in Reykjavik onder, als ze daar beter op hun plaats waren. Sinds 2003 is hij ook elders overgestapt op het investeren in de productie van kunst in Fashion on the Edge (met het Centraal Museum), de H+F Curatorial Grant (met Frac Nord-Pas de Calais) en ArtAids.

De structurele bijdragen van Nefkens, particuliere fondsen als het Fonds van Rede, Stichting Museum Boijmans van Beuningen, Stichting Lucas van Leyden, de subsidie van het Mondriaanfonds en de Bankgiroloterij geven het Boijmans aanzienlijk meer armslag. Gevoegd bij de incidentele bijdragen van een heel scala aan fondsen (zoals de Stichting Volkskracht, het SNS Reaalfonds, het VSB fonds en overheidsbijdragen), wordt het jaarlijkse aankoopbudget van 200.000 euro vertienvoudigd tot 2 of soms zelfs 3 miljoen euro.

Perfect Match

Vorig jaar beleefde ‘My First Art Collection’ een vliegende start, die het verzamelen wil bevorderen. Initiatiefnemer Ricardo Burgzorg bundelt de expertise in de kunstwereld, van museummedewerkers, de universiteit tot galeriehouders en recensenten, om beginnende verzamelaars wegwijs te maken. Zijn trainingsprogramma is nu al ruim overtekend en wordt uitgebreid naar verschillende steden (zie www.myfirstartcollection.nl).

Ook elders worden banden gesmeed tussen musea en verzamelaars. Stedelijk Museum Schiedam liep voorop en organiseerde al in 1998 een tentoonstelling met van het duo Han en Wouter Altena Boswinkel, dat hun collectie vervolgens aan het museum schonk. Sinds 1954 verzamelt het museum werk van ‘thans levende Nederlandse kunstenaars’ en de collectie Nederlandse kunst van Altena Boswinkel sluit hier naadloos bij aan. Deze verzamelaars-tentoonstelling was de eerste in een lange reeks, zoals onlangs de collectie van Otto Schaap.

Het Schunck Collectors House, een zogenaamde publiek-private samenwerking tussen Stijn Huijts van het Schunck Glaspaleis en de Sittardse psychiater en verzamelaar Albert Groot, krijgt een aparte behuizing naar voorbeeld van het Maison Rouge in Parijs. Dit ‘verzamelaarshuis’ dient als etalage en ontmoetingsplek voor particuliere verzamelaars uit de Eurregio en daarmee wordt een rijke ader aangeboord, zo blijkt uit de huidige tentoonstelling in het Glaspaleis van de collecties Groot-Wijnands, DSM, Defauwes en Jo en Marlies Eyck.

Rest de vraag waarom deze mecenassen zo vrijgevig zijn en de werken doneren, in plaats van ze tegen lucratieve prijzen te laten veilen. Voor de meeste mecenassen geeft het schenken van kunst meer voldoening omdat je je eigen passie met anderen kunt delen. Zoals Han Nefkens het uitdrukt: ‘Ik zou een vlieg aan de muur willen zijn in het museum en de mensen willen zien kijken en horen praten. Hoe reageren de mensen op de kunst die ik heb verzameld?’ Voor Adriaan van Ravesteijn en de 2005 overleden Geert van Beijeren speelde ook het verlangen de collectie in zijn samenhang te kunnen bewaren een rol. Bij verkoop valt de verzameling uiteen. Tussen 1968 en 2001 dreef het duo de bekende galerie Art & Project, waarbij zij met aankopen de ontwikkeling van ‘hun’ kunstenaars illustreerden. Zij gaven sommige kunstenaars ook een voorschot om hun werk te kunnen maken, hetgeen later verrekend werd bij verkoop uit de tentoonstelling. Het duo schonk een cluster van conceptuele werken aan het MOMA in New York en gaf 1200 werken in bruikleen aan Rijksmuseum Twenthe onder de naam Depot VBVR. Het Rijksmuseum was de ‘perfect match.’ Voor het relatief kleine museum is Depot VBVR een belangrijke toevoeging, die trots aan het publiek wordt getoond. Bovendien kon het duo heel goed overweg met de toenmalige conservator, Lisette Pelsers (nu directeur). Gekozen is voor een bruikleen met ‘promised gift’ constructie. ‘Zo houd je de vinger aan de pols,’ aldus Van Ravesteijn. Overigens ontvingen ook het

Gemeentemuseum, Museum Boijmans van Beuningen en het Rijksmuseum een aantal werken uit Depot VBVR in langdurige bruikleen.

Mecenassen en kunstenaars

Het bijzondere van al deze mecenassen is hun passie voor kunst en het feit zij de bestaande musea versterken,

en niet hun eigen cultuurtempel oprichten. En dat is mooi, want er komen steeds meer musea die elkaar beconcurreren en werven om hetzelfde publiek. Zo steeg het aantal musea van 485 in 1980 naar 697 in 1990. Maar nog mooier zou het zijn als de mecenassen niet in de etalage, maar direct in de productie van kunst zouden

investeren. Eeuwen lang was er direct contact tussen kunstproducenten en consumenten, totdat in de 19de eeuw de musea als intermediair gingen dienen, waardoor de kunstenaar naar de achtergrond verdween. Maecenas was de naam van een rijke romein, diplomaat en adviseur van keizer Augustus, die de belangrijkste dichters van zijn tijd van een toelage voorzag. Kerkvaders gaven opdrachten en vorsten onderhielden een keur van kunstenaars om hun paleizen glans te verlenen. Rembrandt vond een beschermheer in Jan Six. Vermeer had één verzamelaar, Pieter van Ruijven en werd pas in de 19de eeuw beroemd. Bart van der Leck werd gesteund door Hélène Kröller-Müller. Vincent van Gogh door zijn broer Theo. Gelukkig maar, anders had Vincent zich niet kunnen ontwikkelen en dan hadden we nu geen Van Goghmuseum. Picasso kreeg een maandgeld voor productie van galeriehouder Kahnweiler. René Magritte en Salvador Dalí konden schilderen dankzij de Engelse mecenas Edward James, en Duchamp werd gesteund door Walter en Louise Arensberg.

Marginalisering van de kunstenaar

Kunstenaars zijn altijd gesteund en met de komst van de verzorgingsstaat nam de overheid de rol van mecenas op zich. In de Beeldende Kunstenaars Regeling (1956-1987) kreeg de kunstenaar automatisch een inkomen in ruil voor werk. Vervolgens werden de beurzen niet meer automatische verstrekt, en terecht, maar werd er door het Fonds BKVB een kwalitatieve toetsing ingevoerd. Een prima systeem dat veel talent tot bloei heeft gebracht. Alle kunstenaars die schitteren in het buitenland, van Marlène Dumas, Henk Visch, Marijke van Warmerdam, Rineke Dijkstra, Saskia Olde Wolbers, Michael Raedecker, Rob Voerman, Fiona Tan, Folkert de Jong enz., zijn begonnen met een beurs van de overheid, maar het aantal beurzen loopt dramatisch terug. Zo waren er in 1988 nog 1643 beurzen tegen 271 nu (de flexibele werkbudgetten niet meegerekend). Ook andere geldstromen drogen op of verdwijnen. Zo staat de WWIK ter discussie (In 2003 was dit nog 40 miljoen, in 2007 nog 25 miljoen) en de Geldstroom BKV (18 miljoen) gaat niet meer naar kunstenaars, maar naar kunst.

De Kunstraad waarschuwt voor ‘de toenemende institutionalisering van de kunst en de marginalisering van de kunstenaar, die zwak staat vanwege zijn ‘stand-alone positie’ ( rapport ‘Innoveren, participeren, maart 2007). Musea en kunstbemiddelende organisaties zijn beter toegerust om subsidies in de wacht te slepen en individuele kunstenaars trekken aan het kortste eind. Kregen kunstenaars in 1983 nog 130 miljoen gulden, nu is er nog 37 miljoen euro over en dat was aanleiding voor het Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst om in de Tweede Kamer te gaan protesteren, een actie die door 2000 mensen uit de kunstwereld werd gesteund. Kunstenaars worden verwezen naar de markt, maar er zijn te weinig verzamelaars in Nederland en de totale omzet van 130 miljoen euro door galeries en kunstuitlenen (zie rapport Artes 2007) is onvoldoende om kunstenaars een bestaan te verschaffen. Bovendien is het maken van unieke kunstwerken te tijdrovend om rendabel te zijn. Door het wegvallen van de overheidssubsidies vallen kunstenaars in een financieel gat. Er is geen vangnet, want ook de bestaande private fondsen, zoals het Prins Bernhard Cultuur Fonds, richten zich op instellingen en niet op kunstenaars. Het is niet voldoende om de etalage te financieren, het geld moet terug naar de bron. Anders komt de productie van kunst in gevaar!

Kopen

Zijn er dan geen mecenassen die kunstenaars willen steunen? Nee, niet of nauwelijks. Mecenassen richten zich

vooral op musea, uitzonderingen daargelaten. En als ze kunstenaars steunen, dan doen ze dat door hun kunst

te kopen, niet door te investeren in het productieproces. Jacques Defauwes raakte in 1987 bevriend met

kunstenaar Jaap Mooy die zijn hart stal en met wie hij tot zijn dood in 1995? een levendige correspondentie

onderhield. Defauwes kocht zijn werk en ondersteunde de kunstenaar en inmiddels heeft zijn verzameling de

omvang van een klein museum. Paul Lintzen, directeur van transportbedrijf Convoi kwam door zijn werk in

contact met beeldhouwer in steen Piet Berghs. Lintzen werd de belangrijkste verzamelaar van zijn

steensculpturen en richtte een museum in dat is gevestigd op de tweede verdieping van zijn bedrijf. Zakenman

George Banken onderkent de noodzaak van ondersteuning, en koopt werk van meerdere jonge kunstenaars, dat

vervolgens in collecties wordt ondergebracht. Dan is er nog de verzamelaarscursus van kunstenaarsinitiatief

W139, waarbij er wordt gewerkt aan het vergroten van de betrokkenheid tussen verzamelaars en kunstenaars, in

de hoop dat zij mettertijd ook in het werk van de kunstenaars van W139 zullen investeren.

En tot slot is er nog het collectieve aankoopfonds van Déiska, waarbij de deelnemers 15.000 euro inleggen om

werk van geselecteerde kunstenaars te kopen. Ze mogen de kunst thuis ophangen en de kunstenaars mogen op

hun beurt een beroep doen op de kennis en contacten van de deelnemers. Déiska is een beleggingsfonds met

winstoogmerk. Inmiddels is de waarde van de collectie verdubbeld door het tijdig aankopen van jong talent als

Martha Colburn, Elspeth Diederix, David Lindberg en anderen, vertelt directeur Donna Wolf trots.

Buitenlandse fondsen

Heel vindingrijk zijn de pogingen van kunstenaar Harmen Brethouwer om mecenassen te vinden die in zijn werk

willen investeren. Brethouwer thematiseert de kostbaarheid van de kunst, maar kan de uitgelezen materialen en

ambachtelijke technieken niet zelf bekostigen. Met hulp van museum Boijmans van Beuningen vond hij een

verzamelaarsduo die de productie van een werk van zilverfiligraan voor hun rekening nam, inclusief de reis naar

de werkplaats in Portugal en een honorarium voor de kunstenaar. En nadat ze het werk een poosje in huis

hadden gehad werd het aan het Boijmans geschonken. Voor een volgend project benaderde Brethouwer een

glasverzekeraar, die het werk bekostigde en het met al zijn zakenrelaties kwam bewonderen op de KunstRai in

2005. Een werk van klokkenbrons dat werd gegoten bij Eijsbouts in Asten, werd bekostigd door een

verzamelaarsduo, en ook zij schonken dit werk aan het Boijmans. Brethouwers meest recente werk, de ‘Improved

Flowers’, werden in drievoud in porselein gegoten door Koninklijke Tichelaar in Makkum. Als dank voor zijn

investering kreeg de verzamelaar één exemplaar, en de overige twee worden te koop aangeboden.

Dit voorbeeld van Brethouwer is uniek, omdat hier mecenassen hebben geïnvesteerd in de productie van het

kunstwerk. De kostbaarheden van Brethouwer zijn heel bijzonder en erg gewild bij verzamelaars. Maar voor

moeilijk verkoopbare kunst, zoals installatiekunst, vergankelijke kunst, video of animatie biedt deze aanpak geen

soelaas. Bovendien is ook het dekken van de productiekosten niet voldoende, want een kunstenaar moet ook

leven. Zelfs Brethouwer heeft een subsidie van het Fonds BKVB nodig om te kunnen werken en dat wordt steeds

moeilijker door de daling van het aantal beurzen. Het is dan ook van essentieel belang dat er een Fonds de

Mecenas voor Beeldend Kunstenaars komt, waarbij particulieren kunstenaars in staat stelt om hun werk te

maken.

In het buitenland bestaan dit soort Fondsen al heel lang. In de VS vertrekt de John Simon Guggenheim Memorial

Foundation beurzen aan hooggekwalificeerde onderzoekers en talentvolle kunstenaars. In Groot-Britannië geeft

de Leverhulme Trust 40 miljoen pond aan 539 grensverleggende wetenschappers en kunstenaars. In Groot-

Brittanië wordt de kunst gesteund door de overheid èn het particuliere schenkers. De Arts Council ontvangt 1,1

miljard aan subsidie en daarnaast is er 450 miljoen pond aan particuliere donaties. Tenslotte werd in Japan in

1990 het Kigyo Mecenat Kyogikai (Association for Corporate Support for the Arts) opgericht, waarbij bedrijven

beurzen aan kunstenaars verstrekken. Daar kan Nederland een voorbeeld aan nemen.

Kunstenaars zijn de boom waar de hele kunstwereld, het publiek en de economie de vruchten van plukt. Laten we

haar water geven!

Anne Berk aberk@xs4all.nl

Advertenties

Written by zonderkunstenaarsgeenkunst

april 7, 2009 bij 1:00 am

Geplaatst in Uncategorized

3 Reacties

Subscribe to comments with RSS.

  1. L.S.,
    Mooi artikel.
    Overal in de lande lopen wel fantasten rond, zoals ik, die fantaseren over een regionaal, hedendaagse kunst museum. Ik weet zeker dat (ik) het kan.
    Ing. Mathieu Raemaekers,
    Voorzitter stichting Kunstenaarsinitiatief Vogelvrij
    (roermond),
    Afgestudeerd Kunstacademie Genk,
    dir. Ralectro BV, roggel,
    Koppelstraat 50,
    6088 ER Roggel.
    Tel. 0475 492010

    PS
    Graag zou ik geïntroduceerd worden in kringen waar dergelijke zaken aan de gang zijn. Om kontakten te leggen. Mocht zich in Roermond op een bepaald moment een kans voordoen, dan zou ik (=we) graag onmiddellijk aan de slag gaan.

    Mathieu Raemaekers

    juli 12, 2009 at 6:53 pm

  2. […] Vincent van Gogh was supported by his brother Theo and others. Fortunately, otherwise Vincent could not have become the artist, then we would not have been able to visit the Van Gogh Museum. Picasso got money form gallery owner Kahnweiler. Rene Magritte and Salvador Dali could paint with the English patron Edward James, and Duchamp was supported by Walter and Louise Arensberg. […]

  3. TESSonome heeft dé oplossing voor uw economische crisis

    Hoe kwam ik op het idee? In het tijdschrijft Eigen Bedrijf las ik het verhaal over een restaurant in Limburg. Zij hadden een ster van meneer Michelin gekregen en moesten daarom €100.= per couvert vragen. Omdat de rijken nu eenmaal op de kleintjes letten, lieten ze meer en meer verstek gaan toen de economische crisis goed doorzette en de couverts bleven onaangeroerd liggen. De eigenaar van het restaurant besloot zijn ster in te leveren – hij is dus een ster gebleken door zijn handeling – en kon hij de prijs per couvert drastsich laten zakken. Het gevoeg van deze actie was dat ze elke avond een dubbele bezetting hebben. Win win win zeg maar!

    Dus lieve mensen: omlaag met die prijzen. Deze winnende prijzenslag geldt dan voor de volgende sectoren om mee te beginnen:

    HUIZENmarkt, KUNSTmarkt, GEZONDHEIDsmarkt, GELDmarkt.

    De huidige politieke denktrant is gericht op een tweedeling in de maatschappij. Arm versus rijk. Ik heb dit niet bedacht. Bij de nieuwe verdeling volgens het principe van de prijs omlaag kunnen de armen ook genieten van de mooie dingen van het leven. Is dit een opsteker? Ik dacht van wel. Immers ik stel graag een mooi kunstwerk voor een zacht prijsje ter beschikking van de huiskamer van een arm gezin. Doen jullie mee?

    TESSonome beseft terdege dat deze oplossing louter uitstel van executie is; namelijk er is maar één echte oplossing en dat is een geheel nieuw economisch stelsel gebaseerd en doorwrocht van humanisme.

    Maar het is een begin, het alombekende en befaamde schudden van de boom. En nu maar hopen dat de rotte appels eruit gaan vallen.

    Joehoe!

    TESS

    augustus 24, 2011 at 12:50 pm


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: