zonderkunstenaarsgeenkunst

Just another WordPress.com weblog

Investeer in het cultureel erfgoed van morgen!

leave a comment »

Investeer in het cultureel erfgoed van morgen!

Anne Berk Verschenen in K.I.P magazine jaargang 5, nr. 1, februari 2009, Als reactie op het artikel van Hans Abbing, die pleit voor de afschaffing van kunstenaarssubsidies. 80 % van de kunstenaars kan niet leven van zijn kunst en het gemiddeld maandloon schommelt rond de 300 euro! De cijfers van Hans Abbing bevestigen onze somberste vermoedens. Verder signaleert Abbing net als het Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst het contrast tussen de arme kunstenaars en het ‘volstrekt buiten proportie groeiende leger’ van gesubsidieerde kunstbemiddelaars. ‘Kijk daar kritisch naar, dan kan er geld vrij worden gemaakt voor kunstenaars,’ stelt Abbing. Maar de echte oplossing van het probleem ligt volgens hem in het decimeren van aantal kunstenaars. Vele monden maken de spoeling dun. Dus versterk de kunstmarkt. Beperk het aantal studenten op kunstacademies en draai de subsidiekraan verder dicht, dan komen er vanzelf minder kunstenaars, meent Abbing. Maar hier maakt hij een aantal cruciale denkfouten. En gaat hij voorbij aan de onbedwingbare creatieve impuls die de mensheid eigen is. Vanaf het eerste begin hebben mensen geprobeerd de werkelijkheid te vatten, haar te vangen in een tastbaar beeld, om haar te kunnen be-vatten. ‘Kunst is er om de mens aan zichzelf te openbaren,’ zegt Henk Visch. Kunst is een fundamentele waarde die niet gemist kan worden. En dat mag best wat kosten. Institutionalisering en marginalisering In de afgelopen 25 jaar zijn de overheidsuitgaven voor kunst gestegen, maar het aandeel van kunstenaars is sterk gedaald. Kregen beeldend kunstenaars in 1983 nog 130 miljoen gulden via de BKR, nu is er nog 12 miljoen via het Fonds BKVB en 25 miljoen via de WWIK. De verhoudingen zijn scheef gegroeid. Het geld vloeit vooral naar de instellingen, die goed zijn georganiseerd en in beter in staat zijn te lobbyen dan de individuele kunstenaars. Zowel de overheid als de private fondsen geven hun geld liever aan organisaties, ook al zijn de jaarverslagen minder doortimmerd dan vaak wordt gedacht. ‘Ondertussen dreigt ook de positie van individuele makers, in eerste instantie actief vanuit de standalone-positie die nu eenmaal inherent is aan hun vak, te marginaliseren. Zowel het rijk als andere overheden neigen ertoe om de directe investeringen in de praktijk van kunstenaars en ontwerpers in te ruilen voor een beleid waarbij presenterende, producerende en faciliterende instellingen een grotere rol gaan spelen’, schrijft de Raad van Cultuur op 3 juni 2008 aan minister Plasterk. De Raad heeft het goed gezien. Kunstenaars worden gemarginaliseerd. In plaats van dienstbaar te zijn aan kunst en kunstenaar, hebben de instellingen de kunstenaar ondergeschikt gemaakt aan hun beleid. Maar zonder kunstenaars zijn de musea leeg. En zonder kunstenaars valt er geen subsidie te verdelen. Het is omgekeerde wereld. De prioriteiten moeten opnieuw worden gesteld. Minder kunstenaars? Abbing hoopt het aantal kunstenaars te verminderen door minder studenten aannemen op de kunstacademie. Maar dat is niet zo eenvoudig als het lijkt. Een deel van het probleem schuilt in de financiering van academies, die geld krijgen op grond van het aantal afgestudeerden. Daardoor worden studenten met hangen en wurgen over de streep getrokken, terwijl al na een jaar duidelijk is dat ze niet geschikt zijn voor het kunstenaarschap. Het zou beter zijn de financiering los te koppelen van het aantal diploma’s, waardoor de groepen kleiner kunnen worden en de kwaliteit van het onderwijs stijgt. Verder is de ongebreidelde aanwas van kunstenaars een fabeltje. Er komen voortdurend kunstenaars bij, maar er verdwijnen er minstens zoveel. Vooral rond hun 45ste houden veel kunstenaars het voor gezien. Gemiddeld zijn mensen 17 jaar kunstenaar. Het aantal kunstenaars schommelt al 25 jaar lang rond de 12.000, met als saillant detail dat bijna de helft van het aantal professionele kunstenaars autodidact is, aldus Inger Minnesma van de FNV-Kiem. Dus het beperken van het aantal kunststudenten heeft weinig effect op het aantal kunstenaars. Bovendien is het volgen van een kunstopleiding ook algemeen vormend, net als een studie filosofie of kunstgeschiedenis. Ik ben het met minister Plasterk eens dat dit mogelijk moet zijn. Maar er moeten wel strengere eisen aan het propedeuse jaar worden gesteld. Investeren in kunst leidt tot kwaliteit Kunstenaars genieten een hoge status in onze cultuur. Sinds de romantiek reflecteert de kunstenaar in vrijheid over de wereld en houdt ons een spiegel voor. Hij is de personificatie van ons liberalistische geloof in het unieke individu. En dit aura verklaart de offerbereidheid van de kunstenaar. Zelfs al is er nauwelijks perspectief op een broodwinning, mensen laten zich niet weerhouden om kunstenaar te worden, zoals Abbing ook constateert. Maar de kwaliteit van de kunst die ze maken hangt wel samen met de beschikbare financiële middelen. Zo betoogde Aaron Betsky in ‘False Flat. Why Dutch Design Is So Good’, (Phaidon, 2008) dat het vernieuwende karakter van het Nederlandse design voortvloeit uit de overheidssubsidies voor designers. Omdat ze zich niet direct hoeven te richten op de markt hebben ze ruimte om te experimenteren en hetzelfde geldt voor de Nederlandse beeldende kunst. Kunstenaars als Saskia Olde Wolbers, Aaron van Erp, Juul Kraijer, Rineke Dijkstra, Folkert de Jong, Michael Raedecker, Mark Manders, Fiona Tan enz. gooien hoge ogen in het buitenland dankzij de beurzen van het Fonds BKVB. ‘Maak van subsidie je exportartikel’, stelde Lily van den Stokker, die zich dankzij de financiële bijdrage van de overheid in New York kon vestigen en daar is doorgebroken. Het aantal beurzen wordt teruggesnoeid van 1643 in 1988 (zie ‘Het landelijke subsidiestelstel voor beeldende kunst 1984-2005: bereik, structuur en doorstroming,’ p. 62) tot ongeveer 370 nu. Deze sanering is een verspilling van talent. Waar is de Aaron Betsky van de beeldende kunst? Investeren in het cultureel erfgoed van morgen Maar waarom houden kunstenaars hun eigen broek niet op? Waarom moeten ze worden gesteund? Ten eerste hebben we in Nederland te weinig verzamelaars. De totale omzet van alle galeries en kunstuitlenen bedraagt 130 miljoen euro per jaar (zie rapport Artes). De markt is te klein. Verder is de kunst altijd gesteund, door koningen, kerkvaders en rijke burgers met een vooruitziende blik. En aan hen hebben wij de schatten in de musea te danken. Zo had Vermeer bij leven slechts een verzamelaar en werd pas in de 19de eeuw beroemd. Rembrandt vond een weldoener in Jan Six. Bart van der Leck werd gesteund door Hélène Kröller- Müller. Van Gogh door zijn broer en Karel Appel en Constant konden zich ontwikkelen dankzij overheidssubsidie. Want met het ontstaan van de verzorgingsstaat nam de overheid de rol van mecenas over. En dat was hard nodig. Door de Industriële Revolutie waren de productiviteit en de salarissen van alle beroepsgroepen gestegen, behalve van kunstenaars. Die worden nog steeds geacht unieke dingen te maken, die niemand ooit heeft gezien. En dat kost tijd. Dat kan niet in onze markteconomie. Financiële steun is onmisbaar. Van de overheid. En zo mogelijk ook door kunstlievende burgers in het nieuw op te richten Fonds de Mecenas voor Beeldend Kunstenaars. Investeer in het cultureel erfgoed van de toekomst! Anne Berk kunstrecensent en oprichter van het Platform ZonderKunstenaarsGeenKunst en Fonds de Mecenas voor Beeldend Kunstenaars aberk@xs4all.nl

Advertenties

Written by zonderkunstenaarsgeenkunst

april 7, 2009 bij 1:05 am

Geplaatst in Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: